Terug naar nieuws uit De Provincie Groningen

Opinie: Niet iedere Nederlander krijgt dezelfde overheid

31-07-2026

Over enkele weken presenteert het kabinet op Prinsjesdag de Miljoenennota. Er zal worden gesproken over koopkracht, woningbouw, economische groei en de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Dat zijn belangrijke onderwerpen, maar de vraag die daaronder ligt, blijft vrijwel altijd onbeantwoord. Niet hoeveel geld Nederland uitgeeft, maar hoe de overheid haar aandacht verdeelt. Want juist daar groeit een ongelijkheid die nauwelijks wordt benoemd: niet iedere Nederlander ervaart dezelfde overheid.

Formeel is iedere Nederlander gelijk. Iedereen betaalt belasting, heeft dezelfde grondrechten en brengt één stem uit bij verkiezingen. De democratische rechtsstaat kent geen onderscheid tussen inwoners van Amsterdam, Appingedam of Maastricht. Toch groeit buiten de Randstad het gevoel dat de overheid niet overal dezelfde vanzelfsprekendheid uitstraalt. Dat gevoel is niet ontstaan door één verkeerde beslissing of één kabinet. Het is het resultaat van tientallen jaren beleid waarin afzonderlijke keuzes logisch leken, maar samen een patroon vormen.

Nederland bestuurt vanuit Den Haag. Dat is vanzelfsprekend. Minder vanzelfsprekend is dat Den Haag Nederland steeds vaker bekijkt vanuit de werkelijkheid van de Randstad. Wat daar urgent is, krijgt politieke prioriteit. Wat daar economische groei oplevert, krijgt snelheid. Wat verder weg ligt, kan wachten. Het probleem is niet dat de Randstad veel krijgt. De inwoners van Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht hebben evenveel recht op goede voorzieningen als ieder ander. Het probleem is dat de Randstad steeds vaker de norm is geworden waarlangs de rest van Nederland wordt beoordeeld. Beleidskeuzes worden gemaakt vanuit de vraag wat werkt in het westen en pas daarna vertaald naar de rest van het land. Daardoor ontstaat geen bewuste achterstelling van regio's, maar wel een bestuurscultuur waarin regionale ongelijkheid steeds opnieuw het eindresultaat is.

Die bestuurscultuur zie je niet terug in één groot besluit. Zij zit in honderden kleine besluiten die zich over jaren opstapelen. Een spoorlijn wordt opnieuw uitgesteld. Een busverbinding verdwijnt. Een rijksdienst verhuist naar een grotere stad. Een ziekenhuis ligt verder weg. Dorpen verliezen voorzieningen omdat schaalvergroting efficiënter zou zijn. Iedere afzonderlijke beslissing is verdedigbaar. Samen vertellen zij een ander verhaal. Niet de leefwereld van inwoners is het uitgangspunt, maar de logica van systemen.

Groningen laat zien waar dat toe kan leiden. Decennialang profiteerde de Nederlandse schatkist van de aardgaswinning. Toen de schade zichtbaar werd, bleek hoe groot de bestuurlijke afstand tussen Den Haag en Groningen werkelijk was. De Parlementaire Enquête concludeerde dat economische belangen jarenlang zwaarder hadden gewogen dan de veiligheid van inwoners. Dat oordeel ging niet alleen over gaswinning. Het was een oordeel over een manier van besturen waarin burgers uit beeld kunnen raken zodra zij buiten het dominante perspectief vallen.

Wie denkt dat daarvan voldoende is geleerd, hoeft alleen naar de huidige investeringsagenda te kijken. De Lelylijn wordt al jaren noodzakelijk genoemd, maar telkens doorgeschoven naar een volgend kabinet. De Nedersaksenlijn wacht op dezelfde politieke daadkracht. In Zeeland, Limburg, Twente, de Achterhoek en Noord-Nederland klinken verschillende verhalen, maar steeds dezelfde conclusie: plannen zijn belangrijk, alleen nooit belangrijk genoeg om voorrang te krijgen. Iedere regio kent zijn eigen dossier. Samen laten zij zien dat Nederland moeite heeft om werkelijk als één land te denken.

Juist ouderen ondervinden daarvan als eersten de gevolgen. Wanneer een buslijn verdwijnt, de huisarts verder weg zit of voorzieningen uit een dorp verdwijnen, verliezen zij niet alleen gemak, maar ook zelfstandigheid. Jongeren trekken weg omdat werk, onderwijs en woningen elders gemakkelijker bereikbaar zijn. Regionale ongelijkheid is daardoor niet alleen een geografisch vraagstuk. Zij raakt de leefbaarheid van complete generaties.

Dat maakt ook de discussie over brede welvaart interessanter dan vaak wordt voorgesteld. Brede welvaart gaat niet alleen over inkomen of economische groei. Zij gaat over de vraag of inwoners, ongeacht hun postcode, kunnen rekenen op bereikbaarheid, zorg, onderwijs, veiligheid en een overheid die zichtbaar aanwezig is wanneer dat nodig is. Op dat punt groeit de afstand tussen beleid en praktijk.

De ironie is dat inwoners buiten de Randstad niet minder bijdragen aan de Rijksbegroting. Zij betalen dezelfde inkomstenbelasting, dezelfde btw en dezelfde accijnzen. Zij dragen net zo goed bij aan de collectieve voorzieningen van Nederland. Dan mag ook verwacht worden dat de overheid hen met dezelfde vanzelfsprekendheid ziet. Dat is geen regionaal belang en evenmin een pleidooi voor voorkeursbeleid. Het is een democratisch beginsel. Gelijke belastingheffing schept ook een gelijke verantwoordelijkheid van de overheid.

Vertrouwen verdwijnt zelden door één impopulair besluit. Vertrouwen verdwijnt wanneer mensen jaar na jaar ervaren dat hun regio telkens opnieuw moet uitleggen waarom zij een investering verdient, terwijl andere investeringen nauwelijks ter discussie lijken te staan. Dan ontstaat het gevoel dat de afstand tot Den Haag belangrijker is geworden dan de afstand tussen overheid en burger.

Misschien is dat wel de belangrijkste vraag die op Prinsjesdag zou moeten worden gesteld. Niet hoeveel miljarden het kabinet uitgeeft, maar of de Miljoenennota werkelijk de begroting is van heel Nederland. Want een overheid die overal dezelfde belasting heft, kan zich geen verschillende maatstaven voor verschillende regio's permitteren.

De grootste uitdaging voor een volgend kabinet is daarom niet een hogere begroting, maar een andere bestuurscultuur. Een overheid die Nederland niet langer bekijkt vanuit één economisch zwaartepunt, maar vanuit de overtuiging dat iedere regio gelijkwaardig is. Niet omdat iedere regio hetzelfde is, maar omdat iedere inwoner dezelfde overheid verdient.

Dries Zwart is lid van de Provinciale Staten van Groningen en schrijft dit artikel op persoonlijke titel.